contacteer ons: 03/203.44.00 of administratie@vsbb.be

Wetgeving & richtlijnen

Handvest

Handvest VSBB-FEMEB

Situering

De Federatie Industriële Services, afgekort FIS vzw, overkoepelt in België de ondernemingen van de bouwsector die actief zijn als gespecialiseerd aannemer voor de opbouw en het onderhoud van Industriële installaties.Overeenkomstig artikel 6bis van de statuten van de FIS vzw kunnen leden met eenzelfde bedrijfsactiviteit zich verenigen in een afdeling, welke binnen de FIS vzw zelfstandig haar werking kan bepalen.Verschillende leden hebben beslist om een afdeling op te richten die de stellingbouwbedrijven verenigt. Deze afdeling draagt de naam Vereniging van Stellingbouw Bedrijven in België, afgekort V.S.B.B, en Fédération des Entreprises de Montage d’Echafaudages de Belgique, afgekort F.E.M.E.B.De autonome werking van VSBB-FEMEB als afdeling van FIS vzw wordt in navolgend handvest bepaald.

Artikel 1: Doel

1. De vereniging streeft ernaar om alle ondernemingen actief in de stellingbouw te verenigen en uitvoering te geven aan onderstaande doelstellingen.

2. Doelstellingen:

– Het geven van een praktische invulling aan het Koninklijk Besluit Werken op hoogte van 31 augustus 2005 door middel van het opstellen van een ‘code van goede praktijk’;
– Vertegenwoordiging van haar leden bij de overheid en de relevante organisaties van het bedrijfsleven, zijnde NAVB, keuringsorganismen, e.d.;
– Het verhogen van het aanzien van het beroep van stellingbouwer en het verbeteren van het imago van de stellingbouwsector;
– Creëren van uniformiteit in de sector op vlak van kwaliteitsbeheersing, procedures en richtlijnen;- Standaardiseren van afrekeningsmethoden en opmeetvoorschriften;
– Het bevorderen van interne uitwisseling van gegevens, informatie en ervaringen tussen de leden (delen van informatie rond incidenten/accidenten);
– Het waarborgen van transparantie omtrent veiligheid en veiligheidsbewustzijn binnen de sector (100 % aanlijning, alcohol- en drugspreventie);
– Het vaststellen van algemene leveringsvoorwaarden voor de verhuur, levering en montage van stellingen;
– Het optimaliseren van de communicatie op de bouwplaats en het aanpakken van de problematiek omtrent anderstaligheid van het personeel;
– Promoten van een strikte naleving aangaande bepalingen en normen met betrekking tot de stellingbouwsector (KB 31/18/2005, ladingverzekering, NBN,…)
– Het optimaliseren van de samenwerking met de VSB in Nederland;
– Het uitbouwen van uniformiteit op gebied van opleidingen en certificatie (ervaringsbewijs).

Artikel 2: Lidmaatschap en acceptatiebeleid

1. Een lidmaatschap van de VSBB-FEMEB staat voor een waarborg van kwaliteit, veiligheid en deskundig professionalisme op het gebied van Industriële en /of civiele stellingbouwactiviteiten in België.

2. Onder stellingbouwbedrijven wordt verstaan: bedrijven die als hoofdactiviteit het verhuren en/of monteren van stellingen en/of stellingconstructies hebben . Onder hoofdactiviteit moet worden verstaan, tenminste 50 procent van de totale bedrijfsomzet. Indien echter verhuur en/of montage van stellingen of stellingconstructies geen vijftig procent uitmaakt van de totale bedrijfsomzet, dient de verhuur en /of montage stellingen en/of stellingconstructies een dermate belangrijke nevenactiviteit te zijn, dat deze een essentieel deel uitmaakt van de totale stellingsector.

3. Leden van de FIS vzw die willen toetreden tot de VSBB-FEMEB moeten voldoen aan volgende voorwaarden:

– rechtspersoon zijn die in België gevestigd is (indien gevestigd in het buitenland, de vestiging in België)
– het toetredend lid moet een uittreksel uit het KBO kunnen voorleggen waaruit blijkt dat hun hoofdactiviteit bestaat in het verhuren of monteren van stellingen en/of stellingconstructies overeenkomstig Nace-code 4399906: onderneming voor het optrekken en afbreken van steigers en werkplatforms.
– het toetredend lid dient in het bezit te zijn van een VeligheidsChecklist Aannemers (VCA) VCA*, VCA** of VCA P;
– het toetredend lid verklaart zich te houden aan alle wettelijke verplichtingen, normen en eisen van toepassing op de sector.

4. De kandidaat-leden richten een schriftelijke aanvraag tot toetreding aan de Raad van Bestuur van de VSBB-FEMEB die hierover soeverein beslist. De kandidaat wordt schriftelijk van de beslissing in kennis gesteld en heeft bij een positieve beslissing het lidmaatschap aanvaard, dit zonder dat er een expliciete aanvaarding van de kandidaat zelf vereist is.

5. Door het lidmaatschap van de VSBB-FEMEB te aanvaarden verbinden de leden zich ertoe te allen tijde dit handvest, de voorschriften en de beslissingen van de VSBB-FEMEB te eerbiedigen en na te leven.

6. De VSBB-FEMEB kan een jaarlijkse lidmaatschapsbijdrage vaststellen.

Artikel 3: Bestuur

1. De VSBB-FEMEB is een autonome afdeling van de FIS vzw. Zijn eigen werking wordt uitgevoerd door een Raad van Bestuur. Deze wordt jaarlijks benoemd door de algemene vergadering,waarop alle leden van de VSBB-FEMEB worden uitgenodigd. De Raad van Bestuur wordt benoemd bij consensus van de algemene vergadering.

2. De algemene vergadering komt minstens 1 maal per jaar samen en duidt onder de leden van de VSBB-FEMEB de vertegenwoordigers binnen de organen van de FIS vzw aan.

3. De Raad van Bestuur van de VSBB-FEMEB is samengesteld uit maximum 10 bestuurders.

4. Onder de bestuurders wordt een voorzitter verkozen en de overige functies worden door het Bestuur in onderling overleg verdeeld.

5. Beslissingen worden met eenvoudige meerderheid van stemmen van de aanwezige bestuurders genomen. Bij staking van stemmen is de stem van de ondervoorzitter bepalend.

6. De Raad van Bestuur wordt samengeroepen door de Voorzitter.

7. De Raad van Bestuur vergadert minstens 4 maal per jaar. In bijzondere gevallen roept de Voorzitter het Bestuur samen op eigen initiatief of op verzoek van minstens twee bestuurders.

8. Oproepingen voor de Raad van Bestuur worden per gewone of elektronische post, ten laatste 7 dagen voor de vergadering verstuurd. De oproeping bevat ook de agenda voor de vergadering.

9. De Raad van Bestuur wordt voorgezeten door de Voorzitter, bij diens afwezigheid door de ondervoorzitter.

10. Van elke vergadering wordt een verslag opgemaakt dat op de eerstvolgende vergadering wordt goedgekeurd. Deze verslagen worden bijgehouden ten zetel van de vereniging.

11. De Voorzitter, ondervoorzitter, bestuurders en secretaris zijn niet persoonlijk verbonden door de verbintenissen van de vereniging. Hun verantwoordelijkheid is beperkt tot de uitvoering van de ontvangen lastgeving.

Artikel 4: Bestuurstaak

1. De Raad van Bestuur is belast met het besturen van de vereniging. Tot de bevoegdheden van het bestuur behoren onder meer:

– het nemen van beslissingen ten aanzien van onderwerpen, die tot het terrein van de vereniging behoren;
– het uitleggen en toepassen van de wettelijke verplichtingen, normen en eisen van toepassing op de sector;
– nieuwe voorstellen of nieuw beleid op gebied van de stellingbouw kritisch analyseren en bijsturen waar nodig.

2. De VSBB-FEMEB hecht grote waarde aan de deskundigheid van haar leden. Mede daarom kunnen er binnen de afdeling commissies opgericht worden die zich richten op technische onderwerpen.

KB 'Werken op hoogte'

KB Werken op Hoogte

(31 AUGUSTUS 2005. – Koninklijk besluit betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte)

BELANGRIJK:
Het is de verantwoordelijkheid van de werkgever (opdrachtgever) om te bepalen wat de eisen zijn waaraan een stelling moet voldoen (draagvermogen, breedte werkvloer, toegangsmogelijkheden, ontruiming van de stelling, keuringen,…). Het is de werkgever (opdrachtgever) die de regels bepaalt en die er moet voor zorgen dat de maatregelen worden nageleefd! Dit staat duidelijk beschreven in Art. 4 van de wet van 1996 en artikel 6 van dit KB van 31.08.2005 over het gebruik van arbeidsmiddelen voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte.

Het  KB van 31.08.2005 is de Belgische invulling van de Europese richtlijn 2001/45/EG. Van deze Europese richtlijn vindt u hier een niet-bindende praktijkgids (voltooid in sep 2006)

31 AUGUSTUS 2005. – Koninklijk besluit betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte

ALBERT II, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, inzonderheid op artikel 4, § 1, gewijzigd bij de wet van 7 april 1999 en de wet van 11 juni 2002 en artikel 24;

Gelet op het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming, goedgekeurd bij de besluiten van de Regent van 11 februari 1946 en 27 september 1947, inzonderheid op artikel 43bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 14 maart 1975, de artikelen 440 tot 450, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 juni 1952, artikel 451, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 december 1976, artikel 454, artikel 454bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 28 december 1976, artikel 456, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 juli 1957 en de artikelen 459 en 532, vervangen bij het koninklijk besluit van 14 maart 1975;

Gelet op het koninklijk besluit van 25 januari 2001 betreffende de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen, inzonderheid op artikel 53; Gelet op het advies van de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het werk, gegeven op 22 april 2005;

Gelet op het advies nr 38.542/1 van de Raad van State, gegeven op 30 juni 2005, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Werk,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

  1. Onderafdeling I. – Toepassingsgebied en algemene beginselen

Art. 1.

Dit besluit is de omzetting in Belgisch recht van de richtlijn 2001/45/EG van 27 juni 2001 tot wijziging van Richtlijn 89/655/EEG van de Raad betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het gebruik door werknemers van arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats (2e bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1 van richtlijn 89/391/EEG).

Art. 2.

Dit besluit is van toepassing op de werkgevers en de werknemers en op de daarmee gelijkgestelde personen bedoeld in artikel 2 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.

Art. 3.

Dit besluit is van toepassing op de arbeidsmiddelen voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte, die ter beschikking gesteld worden van de werknemers.

Art. 4.

De bepalingen van het koninklijk besluit van 12 augustus 1993 betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen en zijn bijlagen, zijn van toepassing op de arbeidsmiddelen voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte, voor zover er geen specifieke bepalingen zijn opgenomen in dit besluit.

  1. Onderafdeling II. – Risicobeoordeling en preventiemaatregelen

Art. 5.

De werkgever treft, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 8 en 9 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, de nodige materiële en organisatorische maatregelen opdat de arbeidsmiddelen voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte, die ter beschikking van de werknemers worden gesteld, geschikt zijn voor het uit te voeren werk, zodat het welzijn van de werknemers bij het gebruik van deze middelen wordt verzekerd.

Art. 6.

§ 1. Bij de vaststelling van de materiële maatregelen houdt de werkgever rekening met de principes bedoeld in § 2 tot § 6.

§ 2. De werkgever zorgt er voor dat de uitvoering van de werkzaamheden onder passende ergonomische omstandigheden gebeurt van op een daartoe geschikte werkvloer die zodanig ontworpen, geïnstalleerd en uitgerust is, dat de veiligheid wordt gewaarborgd en dat doorgang mogelijk is zonder gevaar.

§ 3. De afmetingen, eigenschappen en kenmerken van het arbeidsmiddel worden aangepast aan de aard van de te verrichten werkzaamheden en aan de voorzienbare belastingen.

§ 4. De werkgever voorziet in het aanbrengen van beveiligingsmiddelen om vallen te voorkomen, waarbij voorrang wordt gegeven aan collectieve beschermingsmaatregelen boven persoonlijke beschermingsmaatregelen.

Deze beveiligingsmiddelen hebben een zodanige configuratie en sterkte dat vallen van hoogte wordt voorkomen of dat een eventuele val wordt gestopt, zodanig dat lichamelijk letsel bij de werknemers wordt voorkomen.

De collectieve beveiligingsmiddelen om vallen te voorkomen mogen alleen onderbroken worden waar zich een toegang tot een ladder of trap bevindt.

§ 5. De werkgever kiest, in functie van de frequentie van het verkeer, de te bereiken hoogte en de gebruiksduur, de meest geschikte toegangsmiddelen tot de werkposten voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte.

Het gekozen toegangsmiddel biedt de mogelijkheid van ontruiming bij dreigend gevaar.

Het overstappen van een toegangsmiddel op platformen, vloeren of loopbruggen en omgekeerd mag geen bijkomende risico’s op vallen opleveren.

§ 6. Wanneer de uitvoering van specifieke werkzaamheden vereist dat een collectief beveiligingsmiddel om vallen te voorkomen tijdelijk wordt verwijderd, wordt gezorgd voor doeltreffende vervangende veiligheidsvoorzieningen. De werkzaamheden mogen niet worden uitgevoerd zolang deze vervangende voorzieningen niet zijn getroffen. Na de definitieve of tijdelijke beëindiging van de specifieke werkzaamheden worden de collectieve beveiligingsmiddelen om vallen te voorkomen weer aangebracht.

Art. 7.

De organisatorische maatregelen hebben inzonderheid tot doel er voor te zorgen dat :

bij de keuze van elk arbeidsmiddel dat ter beschikking wordt gesteld voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte, voorrang wordt gegeven aan de arbeidsmiddelen die gebouwd zijn, overeenkomstig de bepalingen van de besluiten genomen ter uitvoering van de communautaire richtlijnen die op deze arbeidsmiddelen van toepassing zijn, of bij ontstentenis van dergelijke bepalingen, overeenkomstig gelijkwaardige technische voorschriften;

tijdelijke werkzaamheden op hoogte alleen worden uitgevoerd wanneer de weersomstandigheden de veiligheid en de gezondheid van de werknemers niet in gevaar brengen.

  1. Onderafdeling III. – Specifieke bepalingen betreffende het gebruik van ladders, trapladders en platformladders

Art. 8.

De werkgever beperkt het gebruik van ladders, trapladders en platformladders als werkpost op hoogte tot omstandigheden waarin, gelet op de bepalingen van artikel 5, het gebruik van andere, veiligere arbeidsmiddelen niet verantwoord is, gelet op het geringe risico en gelet op, hetzij de korte gebruiksduur, hetzij de bestaande kenmerken van de arbeidsplaats en werkposten die de werkgever niet kan veranderen.

Art. 9.

Onverminderd de bepalingen van artikel 7, 1°, zorgt de werkgever er voor dat de ladders, trapladders en platformladders worden gebruikt binnen de grenzen die worden opgelegd door het ontwerp ervan en zodanig worden geïnstalleerd en uitgerust dat het vallen van hoogte wordt voorkomen.

De ladders, trapladders en platformladders worden zodanig geplaatst dat hun stabiliteit bij de toegang en tijdens het gebruik ervan gewaarborgd is en dat hun sporten of trappen horizontaal blijven.

Draagbare ladders worden ondersteund en rusten op stabiele en stevige steunpunten met passende afmetingen zodanig dat zij, inzonderheid, onbeweeglijk blijven.

Het wegglijden van de voet van draagbare ladders tijdens het gebruik wordt tegengegaan hetzij door de boven- of onderkant van de ladderbomen vast te zetten, hetzij door middel van een antislipinrichting of een andere gelijkwaardige doeltreffende oplossing.

Hangladders worden stevig vastgemaakt en wel op dergelijke wijze dat zij, met uitzondering van touwladders, niet kunnen verschuiven en dat heen en weer zwaaien wordt vermeden.

Toegangsladders steken voldoende boven het toegangsniveau uit, tenzij andere voorzieningen werden getroffen om een veilig houvast te waarborgen.

Meerdelige ladders en schuifladders worden zodanig gebruikt dat de verschillende delen niet ten opzichte van elkaar kunnen bewegen.

Beweegbare ladders worden vastgezet voordat zij worden betreden.

Art. 10.

Ladders worden zodanig gebruikt dat de werknemers steeds veilige steun en houvast hebben.

Met name blijft het dragen van lasten beperkt tot lichte lasten en mag het een veilig houvast niet belemmeren.

  1. Onderafdeling IV. – Specifieke bepalingen betreffende het gebruik van steigers

Art. 11.

De werkgever die de steiger gebruikt wijst een persoon aan, hierna de bevoegde persoon genoemd, die door middel van een opleiding de vereiste kennis heeft verworven voor het uitvoeren van de volgende taken :

waken over de toepassing van de maatregelen ter preventie van de risico’s dat personen of voorwerpen vallen;

waken over de toepassing van de veiligheidsmaatregelen bij veranderende weersomstandigheden die afbreuk zouden kunnen doen aan de veiligheid van de betrokken steiger;

waken over de naleving van de voorwaarden inzake toelaatbare belasting;

uitvoeren van controles vereist om de bepalingen van artikel 17 na te leven.

Onverminderd de toepassing van het eerste lid is de bevoegde persoon die aangewezen wordt door de werkgever die de steiger monteert, demonteert of ombouwt tevens belast met het opstellen en het aanpassen van een montage-, demontage- en ombouwschema van een steiger.

Art. 12.

De werkgever die de steiger monteert, demonteert of ombouwt moet beschikken over de gebruiksaanwijzing van de fabrikant, opdat de montage, demontage of ombouw van de steiger zou gebeuren overeenkomstig de voorschriften van de fabrikant.

De gebruiksaanwijzing van de fabrikant is vergezeld van een nota die een sterkte- en stabiliteitsberekening bevat.

Indien deze berekeningsnota niet beschikbaar is of niet voorziet in de overwogen structuurconfiguratie, dan moet een sterkte- en stabiliteitsberekening worden uitgevoerd door een persoon die kan aantonen dat hij over de nodige kennis beschikt om deze berekeningen uit te voeren.

Wanneer de werkgever die de steiger gebruikt een andere werkgever is dan deze die de steiger monteert, demonteert of ombouwt, bezorgt deze laatste de berekeningsnota aan de werkgever die de steiger gebruikt.

Art. 13.

De werkgever die de steiger monteert, demonteert of ombouwt zorgt er voor dat de bevoegde persoon bedoeld in artikel 11, tweede lid een montage-, ombouw- en demontageschema opstelt, wanneer dit niet aanwezig is in de gebruiksaanwijzing van de fabrikant.

Dit schema neemt de vorm aan van een algemeen uitvoeringsschema, maar wordt aangevuld met elementen die betrekking hebben op de details die eigen zijn aan de betrokken steiger, indien de complexiteit van de steiger dit vereist.

Het schema wordt gedurende de ganse duur der werken ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaren.

Art. 14.

De werkgever die de steiger monteert, demonteert of ombouwt zorgt er voor dat de bevoegde persoon bedoeld in artikel 11, tweede lid een instructienota opstelt betreffende het gebruik van de steiger.

Deze nota bevat alle nuttige instructies die moeten nageleefd worden om de risico’s verbonden aan, al naargelang het geval, hetzij de montage, de demontage of de ombouw, hetzij het gebruik van de steiger te ondervangen.

Wanneer de werkgever die de steiger gebruikt een andere werkgever is dan deze die de steiger monteert, demonteert of ombouwt, bezorgt deze laatste de instructienota aan de werkgever die de steiger gebruikt.

Art. 15.

§ 1. Elke steiger wordt zodanig opgebouwd dat geen enkel onderdeel, tijdens het gebruik van de steiger, ten opzichte van het geheel kan bewegen.

De steigers worden zodanig opgebouwd dat zij de lasten waaraan ze worden blootgesteld kunnen dragen en ze kunnen weerstaan aan de belasting die voortvloeit uit atmosferische omstandigheden, inzonderheid de invloed van de wind.

Ze moeten verankerd of bevestigd zijn aan een punt dat voldoende weerstand biedt of beschermd zijn tegen elk risico van wegglijden of omvallen door elk ander middel met een gelijkwaardige doeltreffendheid.

Het draagvlak moet voldoende stevig zijn om elke vervorming van de ondersteunende delen te voorkomen.

§ 2. De afmetingen, de vorm en de ligging van de vloeren van een steiger zijn aangepast aan de aard van de te verrichten werkzaamheden en aan de te dragen lasten, opdat er veilig verkeer kan plaatsvinden en er veilig kan worden gewerkt.

De vloeren van de steigers zijn zodanig gemonteerd dat hun onderdelen bij normaal gebruik niet kunnen bewegen.

§ 3. Tussen de randen van de vloeren en het bouwwerk waartegen de steiger is geplaatst, mogen geen gevaarlijke openingen voorkomen.

Wanneer de configuratie van het bouwwerk of het arbeidsmiddel niet toelaat deze afstand te eerbiedigen moet het risico op vallen worden voorkomen door middel van beschermingsmaatregelen waarbij voorrang wordt gegeven aan de collectieve beschermingsmaatregelen boven de persoonlijke beschermingsmaatregelen.

§ 4. Er worden veilige toegangswegen die in voldoende aantal aanwezig zijn voorzien tussen de verschillende vloeren van de steiger.

§ 5. Tijdens de montage, de demontage, de ombouw en het gebruik van de steiger wordt er een aangepaste bescherming tegen het risico van vallen en tegen het risico van vallende voorwerpen aangebracht op elk niveau van de steiger.

§ 6. Ongewilde bewegingen van rolsteigers tijdens werkzaamheden op hoogte worden door een passende voorziening voorkomen.

Wanneer een rolsteiger verplaatst wordt, mag er zich geen enkele werknemer op bevinden, tenzij de rolsteiger speciaal ontworpen is zodanig dat de veiligheid van de werknemers op de rolsteiger niet in het gedrang komt door de verplaatsing.

Art. 16.

Als bepaalde gedeelten van een steiger niet gebruiksklaar zijn, bijvoorbeeld tijdens de montage, demontage of ombouw, markeert de werkgever die de steiger monteert, demonteert of ombouwt deze met waarschuwingssignalen voor algemeen gevaar, overeenkomstig de voorschriften inzake de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk.

Deze gedeelten worden behoorlijk afgebakend door materiële elementen die de toegang tot de gevarenzone beletten.

Art. 17

De werkgever die de steiger gebruikt zorgt er, onder zijn verantwoordelijkheid voor dat de bevoegde persoon bedoeld in artikel 11, eerste lid nagaat of de steiger, in alle omstandigheden, blijft beantwoorden aan de berekeningsnota bedoeld in artikel 12.

De werkgever die de steiger gebruikt zorgt er voor dat de steiger, tijdens het gebruik, te allen tijde blijft beantwoorden aan de bepalingen van artikel 15 en dat zijn werknemers geen toegang hebben tot de gedeelten van de steiger die niet gebruiksklaar zijn.

Indien de werkgever die de steiger gebruikt aan die steiger wijzigingen aanbrengt die betrekking hebben op de montage, demontage of ombouw van die steiger moet hij de verplichtingen die opgelegd worden aan de werkgever die de steiger monteert, demonteert of ombouwt naleven.

Art. 18.

§ 1. De werkgever die werknemers tewerkstelt die zullen werken op een steiger zorgt er voor dat deze werknemers een opleiding ontvangen die hen in staat stelt de kennis en vaardigheden te verwerven die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun taken.

Deze opleiding heeft inzonderheid betrekking op :

de maatregelen ter preventie van de risico’s dat personen of voorwerpen vallen;

de veiligheidsmaatregelen bij veranderende weersomstandigheden die afbreuk zouden kunnen doen aan de veiligheid van de betrokken steiger;

de voorwaarden inzake toelaatbare belasting.

§ 2. De werkgever die werknemers tewerkstelt die zullen meewerken aan de montage, de demontage of de ombouw van een steiger zorgt er voor dat deze werknemers een opleiding ontvangen die hen in staat stelt de kennis en vaardigheden te verwerven die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun taken.

Deze opleiding heeft inzonderheid betrekking op :

het begrijpen van het montage-, demontage- of ombouwschema van de betreffende steiger;

het veilig monteren, demonteren of ombouwen van de betreffende steiger;

de maatregelen bedoeld in § 1, tweede lid;

ieder ander risico dat de montage-, demontage- of ombouwwerkzaamheden met zich kunnen brengen.

Art. 19.

Alleen werknemers die de in artikel 18 bedoelde kennis en vaardigheden hebben verworven mogen op een steiger werken of meewerken aan de montage, de demontage of de ombouw ervan.

De werknemers moeten de instructies naleven die voorkomen in het montage- demontage- en ombouwschema bedoeld in artikel 13 en in de instructienota bedoeld in artikel 14.

  1. Onderafdeling VI. – Specifieke bepalingen betreffende het gebruik van toegangs- en positioneringstechnieken met touwen

Art. 20.

Het gebruik van toegangs- en positioneringstechnieken met touwen voor het uitvoeren van werkzaamheden op hoogte die een systematisch of herhaaldelijk karakter hebben, is verboden.

Art. 21.

In afwijking van artikel 20 mogen de toegangs- en positioneringstechnieken met touwen gebruikt worden in de volgende gevallen :

wanneer de risicobeoordeling heeft aangetoond dat de toegang tot de werkpost onmogelijk is of gevaarlijker is bij gebruik van een veiliger arbeidsmiddel en de plaats waar het werk wordt verricht niet dermate kan gewijzigd worden dat het gebruik van een veiliger arbeidsmiddel mogelijk wordt of minder gevaarlijk is dan de toegangs- en positioneringstechnieken op basis van touwen;

wanneer de risico’s verbonden aan het opstellen van deze veiligere arbeidsmiddelen groter zijn dan de risico’s verbonden aan de uitvoering van het werk.

Art. 22.

Het gebruik van toegangs- en positioneringstechnieken met touwen gebeurt met eerbiediging van de volgende principes en voorwaarden :

De samenstellende delen die de werknemer toelaten om zich te verplaatsen of te positioneren, de samenstellende delen die deze werknemer beschermen tegen het vallen van op hoogte, alsook alle andere samenstellende delen die gebruikt worden bij de opbouw van het systeem stemmen overeen met deze waarvan het gebruik is opgelegd door het koninklijk besluit van 13 juni 2005 betreffende het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen.

Het systeem omvat tenminste twee afzonderlijk verankerde lijnen, waarvan de ene dient om op of uit de werkplek te komen en als steun (werklijn), terwijl de andere als flexibele ankerlijn dient voor een valbeveiligingsmechanisme (veiligheidslijn).

De werknemers beschikken over en maken gebruik van een antival harnas waardoor zij verbonden zijn met de veiligheidslijn via een beweegbaar valbeveiligingsmechanisme dat de werknemer in zijn bewegingen volgt.

De werklijn is voorzien van een veilig stijg- en daalmechanisme en is uitgerust met een

zelfblokkerend en zelfregelend systeem van de snelheid waardoor de gebruiker, wanneer hij de controle over zijn bewegingen verliest, niet kan vallen.

Onverminderd de bepalingen van artikel 3 van het koninklijk besluit van 12 augustus 1993

betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen, hebben de verankeringspunten die bij deze techniek gebruikt worden een weerstand die ten minste gelijk is aan de verankeringspunten waarvan het gebruik is opgelegd door het koninklijk besluit van 13 juni 2005 betreffende het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen.

Er wordt voorzien in een zitje met voetsteunen en met geschikte toebehoren, rekening houdend met de risicobeoordeling en inzonderheid in functie van de duur van de werkzaamheden en de ergonomische vereisten.

De gereedschappen en andere hulpstukken die de werknemer moet gebruiken, zijn verbonden met het zitje van de werknemer, of indien er geen zitje aanwezig is, met het harnas of ze worden op een andere passende wijze bevestigd.

Geen enkele werkzaamheid op hoogte waarbij toegangs- en positioneringstechnieken met touwen gebruikt worden mag toevertrouwd worden aan een afgezonderd tewerkgestelde werknemer. De aanwezigheid van een andere werknemer die in staat is snel alarm te geven en de nodige kennis heeft van de procedures voor reddingsoperaties is verplicht.

De betrokken werknemers ontvangen een adequate en specifieke opleiding voor de beoogde werkzaamheden, inzonderheid op het vlak van de procedures voor reddingsoperaties.

10° De opbouw van het systeem om werken uit te voeren met toegangs- en positioneringstechnieken met touwen en de uitvoering van deze werken gebeurt onder het toezicht van een bevoegd persoon die door de werkgever werd aangewezen en waarvan de ervaring en de technische kennis hem moeten toelaten het werk op de juiste wijze te programmeren en te waken over de naleving van de voorwaarden bedoeld in dit artikel.

Art. 23.

§ 1. Het gebruik van een tweede lijn die uitgerust is met een valbeveiligingsmechanisme is niet verplicht tijdens de redding van personen, indien de omstandigheden dit vereisen om de plaats waar de te redden persoon zich bevindt te kunnen bereiken.

Bij de evacuatie van redder en geredde moet een tweede lijn die uitgerust is met een valbeveiligingsmechanisme worden aangebracht.

Indien door het gebruik van een tweede lijn die uitgerust is met een valbeveiligingsmechanisme de evacuatie echter gevaarlijker wordt, is het toegelaten één enkele lijn te gebruiken.

§ 2. Het gebruik van een tweede lijn die uitgerust is met een valbeveiligingsmechanisme is niet verplicht bij werkzaamheden op niet vertikale wanden waar het gebruik van een veiligheidslijn uitgerust met een valbeveiligingsmechanisme onmogelijk is.

De werknemer die de werkzaamheid uitvoert moet beschermd worden door een andere werknemer.

§ 3. Het gebruik van een tweede lijn die uitgerust is met een valbeveiligingsmechanisme is niet verplicht, voor het uitvoeren van snoeiwerken, wanneer de risicobeoordeling bedoeld in artikel 21, 1° bijzondere omstandigheden heeft vastgesteld waaruit blijkt dat het gebruik van een dergelijke lijn gevaarlijker is.

In dat geval moet de gebruikte techniek een gelijkwaardig beschermingsniveau voor de veiligheid van de werknemers waarborgen.

Deze werken moeten steeds uitgevoerd worden onder het toezicht van een bevoegd persoon bedoeld in artikel 22, 10°.

  1. Onderafdeling VII. – Slotbepalingen

Art. 24.

§ 1. De arbeidsmiddelen voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte die reeds ter beschikking werden gesteld van de werknemers vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit moeten uiterlijk op 19 juli 2006 worden vervangen door arbeidsmiddelen die beantwoorden aan de vereisten van dit besluit.

Indien de in het eerste lid bedoelde arbeidsmiddelen het voorwerp zijn van een herstelling of enige wijziging moeten zij onmiddellijk vervangen worden door arbeidsmiddelen die beantwoorden aan de vereisten van dit besluit.

§ 2. In afwijking van § 1, moeten de steigers die vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit reeds ter beschikking van de werknemers werden gesteld niet vervangen worden door nieuwe steigers, indien zij de passende wijzigingen kunnen ondergaan zodat zij in overeenstemming kunnen gebracht worden met de bepalingen van dit besluit.

Deze wijzigingen moeten uiterlijk op 19 juli 2006 aangebracht zijn.

De wijzigingen moeten worden uitgevoerd onder het toezicht van een bevoegd persoon waarvan de kennis hem toelaat na te gaan of het arbeidsmiddel in overeenstemming is met de bepalingen die genomen werden ter uitvoering van de communautaire richtlijnen die op deze arbeidsmiddelen van toepassing zijn of, bij ontstentenis van dergelijke bepalingen, met gelijkwaardige technische voorschriften.

Art. 25.

In artikel 532 van het Algemeen reglement voor de arbeidsbescherming, goedgekeurd bij de besluiten van de Regent van 11 februari 1946 en 27 september 1947, vervangen bij het koninklijk besluit van 14 maart 1975, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

Het eerste lid wordt vervangen als volgt :

« De ladders, gebruikt voor het werk bepaald in artikel 525, worden slechts beschouwd als voldoende veiligheidswaarborgen biedend als :

ze voor de voeten een steun bieden waarvan de diepte vermeerderd met de vrije ruimte achter deze steun ten minste gelijk is aan 0,115 m en waarvan de breedte ten minste gelijk is aan 0,25 m;

ze voor de handen een stevige steun bieden;

ze onder het dek niet meer inspringen dan redelijkerwijze nodig is om de luikgaten niet te belemmeren;

ze in dezelfde richting verlengd zijn met inrichtingen die een stevige steun voor handen en voeten bieden en op de luikhoofden geplaatst zijn (bijvoorbeeld klampen);

de inrichtingen waarvan sprake in 4° voor de voeten een steun bieden waarvan de diepte

vermeerderd met de vrije ruimte achter deze inrichtingen ten minste gelijk is aan 0,115 m voor een breedte van ten minste 0,25 m;

ingeval er afzonderlijke ladders aangebracht zijn tussen de lager gelegen dekken, die ladders in de mate van het mogelijke in een lijn liggen met de ladder die van het bovendek vertrekt.

Als de ladders gebruikt worden in een onoverdekt schip, moet de ondernemer van het werk die ladders verstrekken. Ze zijn aan het bovenste gedeelte voorzien van haken of andere inrichtingen die toelaten ze stevig te bevestigen. »

Het derde lid wordt vervangen als volgt :

« Als, wegens de bouw van een schip, het aanbrengen van een ladder praktisch onmogelijk is, zijn andere veilige toegangsmiddelen toegelaten. »

Art. 26.

In het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming, goedgekeurd bij de besluiten van de Regent van 11 februari 1946 en 27 september 1947 worden opgeheven :

artikel 43bis ingevoegd bij koninklijk besluit van 14 maart 1975;

de artikelen 440 tot 450 gewijzigd bij koninklijk besluit van 10 juni 1952;

artikel 451 gewijzigd bij koninklijk besluit van 28 december 1976;

artikel 454;

artikel 454bis ingevoegd bij koninklijk besluit van 28 december 1976;

artikel 456 gewijzigd bij koninklijk besluit van 10 juli 1957;

artikel 459 gewijzigd bij koninklijk besluit van 14 maart 1975.

De in het eerste lid bedoelde bepalingen blijven evenwel van kracht tot de arbeidsmiddelen die voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit werden ter beschikking gesteld van de werknemers werden vervangen of aangepast overeenkomstig artikel 24.

Art. 27.

Artikel 53 van het koninklijk besluit van 25 januari 2001 betreffende de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen wordt aangevuld als volgt :

« 5° het koninklijk besluit van 31 augustus 2005 betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte. »

Art. 28.

De bepalingen van de artikelen 1 tot 24 van dit besluit vormen afdeling IV van Titel VI,

Hoofdstuk II van de Codex over het Welzijn op het werk met de volgende opschriften :

« Titel VI. – Arbeidsmiddelen »

« HOOFDSTUK II. – Specifieke bepalingen »

« Afdeling IV. – Arbeidsmiddelen voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte. »

Art. 29.

Onze Minister van Werk is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 31 augustus 2005.

ALBERT

Van Koningswege :

Voor de Minister van Werk, afwezig :

De Minister van Begroting en Overheidsbedrijven,

VANDE LANOTTE

_______

Nota’s

(1) Verwijzingen naar het Belgisch Staatsblad :

Wet van 4 augustus 1996, Belgisch Staatsblad van 18 september 1996.

Wet van 7 april 1999, Belgisch Staatsblad van 20 april 1999.

Wet van 11 juni 2002, Belgisch Staatsblad van 22 juni 2002.

Besluit van de Regent van 11 februari 1946, Belgisch Staatsblad van 3 en 4 april 1946.

Besluit van de Regent van 27 september 1947, Belgisch Staatsblad van 3 en 4 oktober 1947.

Koninklijk besluit van 10 juni 1952, Belgisch Staatsblad van 27 juni 1952.

Koninklijk besluit van 10 juli 1957, Belgisch Staatsblad van 8 augustus 1957.

Koninklijk besluit van 14 maart 1975, Belgisch Staatsblad van 27 maart 1975.

Koninklijk besluit van 28 december 1976, Belgisch Staatsblad van 9 februari 1977.

Koninklijk besluit van 25 januari 2001, Belgisch Staatsblad van 7 februari 2001.

 

 

Arbeidsmiddelen

Uitgebreide informatie is terug te vinden op de website van de Federale Overheidsdienst

Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg (FOD WASO), Welzijn op het werk.

Praktische aanvullingsteksten op de wetgeving Code van goede praktijk Stellingbouw (CvGPS)

Instructienota aan de werkgever die de stellingen gebruikt of zal laten gebruiken – minimale eis (zie bijlage)

Code Goede Praktijk Stellingbouw

Wanneer berekenen?

  • Voor onderstaande structuren dient in elk geval een sterkte- en stabiliteitsberekening te worden opgesteld.

*) Stellingen hoger dan 24 meter (hoogste werkvloer) (bron; norm NBN EN12810), tenzij de fabrikant van het bij de montage gebruikte stellingmateriaal een
andere hoogte opgeeft of met een vloerbelasting > 3,0 kN/m²;

*) Beklede stellingen, uitgezonderd stellingen die het verankeringspatroon van de fabrikant (als leidraad) volgen;

*) Ondersteuningsstellingen;

*) Hang-, uitbouw-, uitsteekstellingen, consoles en overbruggingen met een vloerbelasting > 1,5 kN/m²;

*) Overbruggingen langer dan 6 meter;

*) Takelstellingen en verhijsbare stellingen;

*) Stellingen waar bouw- of personenliften worden aan verankerd;

*) Stellingen die sterk afwijken van de standaardconfiguratie en aldus vooraf op de constructieve haalbaarheid moeten worden
beoordeeld;

  • Bij elke constructieve wijziging, die van invloed is op de stabiliteit en de weerstand van berekende stellingen, dient een herberekening uitgevoerd te worden.
  • Een tekening kan een aanvulling zijn bij een berekening.
  • Het al dan niet voorleggen van een berekeningsnota maakt deel uit van afzonderlijke afspraken die gemaakt worden tussen het stellingbouwbedrijf en de opdrachtgever.

Opmerking:

Indien de werkgever die een welbepaalde stelling monteert, demonteert of ombouwt, beroep doet op normen, algemeen erkende codes van goede praktijk of handelt volgens regels van de kunst, zal hij door de verwijzing naar de conformiteit, kunnen genieten van de geloofwaardigheid die volgt uit de toepassing van een dergelijke code. Dit houdt in dat, voor zover het gaat om een standaardopbouw, de verwijzing naar de gebruikte code kan volstaan. In vele gevallen, zo bijvoorbeeld voor rolstellingen, zal dit het geval zijn. Enkel indien wordt afgeweken van die standaardconfiguratie moeten die afwijkingen/aanpassingen expliciet aangetoond en gemotiveerd worden.

Belangrijk is dat elk van de betrokken partijen zich steeds op een correcte manier kan verantwoorden.

Mengen van compatibel stellingmateriaal

  • Twee van onze leden werden geconfronteerd met een klant die het mixen van stellingbouwmateriaal van verscheidene stellingbouwfabrikanten op zijn terrein verbood. Het ging hier over compatibel stellingbouwmateriaal waarvan de compatibiliteit vastgesteld werd door het DIBt (Deutsches Institut für Bautechnik) en waarvoor een Zulassung door het DIBt afgeleverd werd. Volgens het DIBt kunnen deze stellingbouwmaterialen perfect in één stelling gecombineerd worden, mits in de sterkte- en stabiliteitsberekening rekening te houden met de zwakste elementen. Bijkomstig vroegen beide leden, in een brief aan de FOD Toezicht Welzijn op het Werk, hun standpunt over het mixen van dergelijk compatibel stellingbouwmateriaal en ontvingen onderstaande brieven als antwoord op hun vraag.

Antwoord aan de firma Albuko van de FOD ivm het mengen van compatibel stellingmateriaal dd 18-05-2010

Antwoord aan de firma Altrad van de FOD ivm het mengen van compatibel stellingmateriaal dd 14-10-2011